Hoe schrijf je heldere zinnen?

Heldere zinnen zijn zinnen die je doelgroep begrijpt. Dat betekent dat het van je doelgroep afhangt of de zinnen helder zijn.

Voor alle tips en aanbevelingen hieronder geldt: know the rules like a pro, break them like an artist, ofwel: ken de regels en overtreed ze als je ze beheerst.

Leestijd: 7 minuten

Samenvatting

Om heldere zinnen te schrijven geef ik in dit artikel de volgende tips:

Houd het simpel

Maar maak niet de vergissing dat ingewikkelde zinnen indruk maken op academici. Integendeel: hoe ingewikkelder je tekst, hoe lager de lezer jouw intelligentie inschat.

Om indruk te maken gebruiken sommigen uitdrukkingen of woorden die ze eigenlijk niet helemaal beheersen, zodat wat er staat raar, onbedoeld of zelfs fout is. Zo zie ik steeds meer teksten waarin mensen ‘tenzij’ en ‘mits’ met elkaar verwarren. Gebruik alleen taal die je helemaal beheerst. Een simpele woorden zijn bijna altijd helder.

Wissel kort en lang af

Heldere zinnen zijn niet per se kort. Maar die afkeer van lange zinnen komt ergens vandaan. Lezers raken de weg kwijt als je een zin uit elkaar trekt en er andere zinsdelen tussen propt. Je scheidt dan delen die bij elkaar horen. Schrijvers raken trouwens ook vaak de weg kwijt in lange zinnen. Als jij al schrijvend de weg kwijt raakt, staat er een zin die niet meer klopt, ook al lees je hem drie keer. In het ergste geval staat er iets wat je helemaal niet zo bedoelt.

schrijf heldere zinnen - dus geen tangconstructies

Maar alleen korte zinnen leest niet prettig, want dat jaagt de lezer op. Afwisseling van lange en korte zinnen leest het prettigst, zie ook de laatste paragraaf. Bovendien kunnen dan verbanden ontbreken, zodat je de logica van de tekst kwijtraakt. Signaalwoorden kunnen zinnen verbinden en logica aanbrengen.

Wees positief

Negatieve uitdrukkingen leiden vaak tot verwarring. Gebruik zo min mogelijk ontkenningen en al helemaal geen dubbele ontkenningen, ook niet in bestaande uitdrukkingen.

Het hoeft niet compleet

Natuurlijk wil je als schrijver compleet zijn, zeker als je alles van het onderwerp weet. Maar voor je boodschap is dat niet altijd nodig en het leidt vaak niet tot heldere zinnen. Sterker nog, de tekst kan overweldigend, saai of stotterend worden. Als zinsdelen voor de volledigheid steeds alle onderdelen noemen wordt het irritant: ‘Deze man of vrouw brengt zijn of haar pakket weg.’ Zoek een omvattende term: ‘Deze persoon brengt het pakket weg.’

Soms overlapt de betekenis van die woorden – ik zie in vacatureteksten soms zinnen met ‘expertise, ervaring en kennis’. Maar expertise is al het geheel van ervaring, kennis en vaardigheden.

Als je voorbeelden geeft, noem dan één of drie voorbeelden. Één voorbeeld als het daarmee duidelijk is in welke hoek de lezer het moet zoeken: ‘Meld het in dat geval aan de overheid, zoals de gemeente.’

Geef drie voorbeelden als je daarmee de breedte wilt aangeven. Een drieslag leest lekker; de melodie van je zin is dan prettig. ‘De leidinggevenden hebben verschillende taken zoals aansturen, evalueren en coördineren.’

Schrijf actief

Hulpwerkwoorden maken formuleringen vaak omslachtig. De hulpwerkwoorden hebben, zijn en worden staan samen in een zin met een voltooid deelwoord. Kunnen, willen, zullen, mogen, hoeven, moeten en gaan komen samen met het hele werkwoord voor.

Check of het hulpwerkwoord informatie toevoegt aan de zin of dat het weg kan. Hulpwerkwoorden kunnen(!) een functie hebben, maar vaak maken ze een tekst wollig.

Worden in combinatie met een voltooid deelwoord – alleen als het onderwerp van de zin ook het onderwerp van je verhaal is. Bijvoorbeeld in een betoog over onderwijs, kun je schrijven dat de studenten worden onderwezen. Voor je verhaal is niet relevant door wie, het gaat om de studenten. Vooral zinnen met ‘worden’ verstoppen vaak het onderwerp, degene die het doet. ‘Het wordt gedaan’ of ‘het is gedaan’ vertelt niet wie het doet. Dat kan soms handig zijn, maar meestal is het gewoon onduidelijk. Schrijf liever ‘Marianne doet het’.

Hebben of zijn in combinatie met een voltooid deelwoord – alleen als het in de voltooid verleden tijd staat. Het gebeurde is voorbij.

Kunnen – alleen als het over de mogelijkheid gaat: het kan, maar het kan ook niet.

Willen – alleen als het een bewuste keuze is.

Zullen – alleen als het nodig is om te vermelden in de toekomst plaatsvindt en dat het zeker gaat gebeuren.

Mogen – alleen als er toestemming voor nodig is. En alsjeblieft niet ‘wij hebben dit project mogen uitvoeren’. Dat komt op mij over als valse dankbaarheid, terwijl je er eigenlijk gewoon trots op bent.

Hoeven – alleen in combinatie met ‘niet’ en als het een optie is.  

Moeten – alleen als het een verplichting is. Sommige mensen zijn bang voor dit woord geworden door diverse coaches en trainingen persoonlijke ontwikkeling. Maar in bepaalde gevallen moeten dingen gewoon. Vaak zit er een voorwaarde aan vast: als je dit wilt, moet je dat doen.

Gaan – alleen als het in de toekomst plaatsvindt en ‘zullen’ te sterk is. Meestal is het alleen maar lelijk en kun je het schrappen.

Schrap deze hulpwerkwoorden in alle andere gevallen, omdat dit de zin directer en krachtiger maakt.

Wees consistent

Gebruik steeds dezelfde tijd, dezelfde aanspreekvorm en dezelfde toon. Zet zo nodig een foto bij je beeldscherm van één vertegenwoordiger van de doelgroep van je tekst. Liefst een foto waar je een compleet beeld bij hebt: je relatie met die persoon, het kennisniveau en de rol.

Als je metaforen gebruikt, beperk je dan tot één metafoor. Let op, veel uitdrukkingen roepen beelden op die zo gewoon zijn, dat je je amper bewust bent dat het metaforen zijn. Als je bijvoorbeeld de metafoor van een weg gebruikt en ergens schrijft ‘tegen de klippen op’ verspring je ineens van een weg naar de zee. Beelddenkers raken dan in verwarring, terwijl een metafoor juist heel krachtig kan zijn.

Wees specifiek

Wees voorzichtig met containerbegrippen of zinnen die de lezer op verschillende manieren kan interpreteren. Laat je tekst lezen door iemand met dezelfde voorkennis als je doelgroep en vraag niet alleen of die het begrijpt (de meeste mensen zullen ‘ja’ zeggen, alleen al uit beleefdheid), maar vraag door.

Wees beknopt

Formuleer heldere zinnen die alleen noodzakelijke informatie bevatten. De enige uitweiding die nut heeft is een voorbeeld dat je boodschap ondersteunt of uitlegt. Moet het op schrift, dan gaan veel mensen ineens omslachtig formuleren. Zo kom ik zinnen tegen als deze:

“We doen dit vanuit het perspectief om aansprekende resultaten te behalen.”

‘vanuit het perspectief’ voegt niets toe. Erger nog, het slaat nergens op. Schrappen dus: “We doen dit om aansprekende resultaten te behalen.” Veel lekkerder toch?

“We waarborgen de kwaliteit van ons personeel door de verplichting van het volgen van de opleiding.”

Het einde van de zin loopt niet lekker. ‘het volgen van’ is hier niet fout, maar het voegt ook niets toe. Ik maakte ervan: ‘(…) door de opleiding te verplichten’.  

“Hoe standvastig ben jij als het gaat om grenzen stellen met betrekking tot geld?”

‘Als het gaat om’ en ‘met betrekking tot’ zijn omslachtige en vaak overbodige constructies. Het woord ‘standvastig’ klinkt wat formeel, terwijl ‘geld’ juist een redelijk alledaagse term is en de lezer met ‘jij’ wordt aangesproken. ‘grenzen met betrekking tot geld’ zijn geldgrenzen, maar dat klinkt niet lekker en is geen gangbaar woord. Financiële grenzen is beter, al is ‘financieel’ wat formeler dan ‘geld’. Om ‘standvastig’ te vermijden heb ik ervan gemaakt: ‘Hoe hard zijn jouw financiële grenzen?’

Kortom, weeg de toegevoegde waarde van elk woord. Een woord dat niet bijdraagt aan je boodschap kun je beter schrappen.

Lees hardop

Ik noem mijzelf wel eens een dj van teksten: met een aangename melodie en een lekkere beat zijn teksten prettig om te lezen. Dat kun je horen. Door je zinnen hardop te lezen, kun je struikelblokken identificeren en ervoor zorgen dat ze vloeiend klinken. Als Nederlands echter niet je moedertaal is, raad ik je sowieso aan om je tekst door een native speaker te laten lezen en corrigeren.

Wil je dat ik eens naar je tekst kijk en er heldere zinnen van maak?